Circulair bouwen: niet hypen, aub!

Na de circulaire economie heeft ons land het circulair bouwen ontdekt. Ontdekt, maar we weten nog niet goed wat het is of moet worden. In de Green Deal Circulair Bouwen hebben meer dan 250 bedrijven en organisaties zich geëngageerd om samen die zoektocht aan te gaan en door kennisdeling te bepalen wat circulair bouwen precies moet of kan betekenen in ons land. Al lijkt niet iedereen dat zo te begrijpen, want her en der pakken partijen met veel tromgeroffel uit dat ze meewerken aan de Green Deal Circulair Bouwen of op een andere manier hun steentje bijdragen. Betekent dat dan ook dat ze straks verantwoordelijkheden zullen opnemen of kosten zullen dragen om er mee voor te zorgen dat circulair bouwen mogelijk wordt … ook met hun producten?

Het circulair paviljoen van ABN Amro op de Zuidas in Amsterdam, één van de grote voorbeelden in circulair bouwen.

Onze noorderburen hebben – zoals wel vaker – enkele jaren voorsprong in het circulair bouwen. Los van de mooie voorbeelden die ze al realiseerden, hebben zij intussen al geleerd dat we niet alles circulair moeten of kunnen bouwen. Maar ook dat er heel wat onvoorziene uitdagingen komen kijken bij circulair bouwen.

Om maar een voorbeeld te geven: een toonaangevende aannemer besloot circulaire bruggen te ontwikkelen en te gebruiken in een tijdelijk omleidingstraject. Nu enkele jaren later is het omleidingstraject niet meer nodig en liggen de circulaire bruggen te wachten op een nieuwe bestemming. Alleen, dat had de aannemer over het hoofd gezien, dat stockeren van die brugdelen.

Wie neemt verantwoordelijkheid?

Gelijkaardige situaties zullen we straks met onze gebouwen en infrastructuur ook tegenkomen. Wie wordt dan verantwoordelijk voor het stockeren en eventueel herstellen van producten die niet onmiddellijk een nieuwe bestemming krijgen? Er zijn al enkele organisaties – zoals Rotor of Retrival – die zich hierop toeleggen. Maar wanneer circulair bouwen echt van de grond komt, zal hun capaciteit dan volstaan? Zijn het dan de fabrikanten die hun producten moeten terugnemen? Is het aan de plaatser om de materialen in te zamelen? Of moeten sloopbedrijven zich omscholen voor deze nieuwe taak?

Wie gaat dat betalen?

Als we straks het antwoord op die vraag kennen, zal ook blijken dat er kosten komen kijken bij dit inzamelen en stockeren. Hoe vertaal je dat naar het bouwproject waarin de materialen hergebruikt zullen worden? Kun je ze goedkoper hergebruiken – want dat lijkt toch logisch in een tweede leven – of worden ze net duurder omwille van de extra handelingen en stockage? En welke opdrachtgever wil daar dan voor betalen?

Kortom, er zijn nog heel wat vragen te beantwoorden. Misschien moeten we daar samen eerst op focussen en pas dan energie steken in het roepen dat onze producten geschikt zijn om circulair te bouwen?

Trouwens, wat maakt een product circulair? Het zonder schade en eenvoudig kunnen demonteren?

Beste opdrachtgever, vraagt ’t aan … de aannemer

8% van de aanbestedingsprocedures in België wordt stopgezet. Dat blijkt uit een rondvraag van het @NAV. Bij onze noorderburen loopt dat aantal over alle sectoren op tot 16%. De logische vraag rijst dan: waarom trekt u de stekker eruit, beste opdrachtgever? Vaak, zo blijkt, omdat het nodige budget uiteindelijk niet voor handen is. In de periode 2016-2017 moesten enkele gemeentelijke overheden hun PPS-plannen voor een nieuw publiek gebouw opbergen. Telkens omdat bleek dat ze via de inbreng van hun patrimonium – vaak bouwgronden die ontwikkelaars konden ontwikkelen – niet de benodigde centen konden verzamelen om hun bouwplannen te vergoeden. Meer dan eens hadden adviseurs een waarde voorgerekend die volgens de markt niet haalbaar of met andere woorden realistisch was.

 

Veel conclusies mag ik niet trekken uit deze vaststelling. Ze sterkt me wel om u aan te moedigen uw adviesbureau voldoende kritisch te kiezen. En zelfs tijdens zijn werkzaamheden kritisch te blijven opvolgen. Als uw adviseur u een PPS- of DBFM-constructie voorhoudt, is dat dan de voor u beste oplossing? Het antwoord zal u wellicht in eigen rangen niet vinden. Maar wat belet u om een second opinion te vragen? Dat kan perfect in de markt, … bij de aannemers zelf. Heel wat opdrachtgevers – zoals Defensie of Brussels Airport Company – bevragen de markt vandaag al om bij hen te informeren naar de beste aanpak om hun bouwplannen te realiseren. Dikwijls met niet meer dan een basisidee als vertrekpunt vragen ze de aannemer welke aanbestedingsprocedure volgens hem de beste is, welke risico’s en kansen hij ziet, … Kortom, wat voor hem de meest interessante manier is om aan het project mee te werken. Zo’n request for information vraagt amper een halve dag van de aannemer om te beantwoorden. Dat in tegenstelling tot een aanbestedingsprocedure waar de aannemer als sleutelpartij architecten, studiebureaus en andere adviseurs engageert om dan aan de eindmeet te moeten vaststellen dat hij alle tijd en kosten voor niets maakte, … omdat de opdrachtgever zijn project verkeerd ingeschat heeft.

 

Dus, bespaar uzelf en de aannemers – die interesse hebben in uw project – een ontgoocheling en bevraag hen vooraf naar hun visie op uw project. Op basis van de verschillende inzichten kunt u de stelling van uw adviseur toetsen, inschatten of u de nodige financiële middelen heeft en dan nog die piste kiezen die u het best bevalt. Ze zal in ieder geval aansluiten bij de manier waarop de aannemers naar projecten kijken. Zou de kans op slagen daarmee verhogen?

Nieuwe Zeesluis Zeebrugge: waar liep het mis? Omgevingsmanagement vergeten?

Op 10 mei besliste de Vlaamse regering principieel een nieuwe zeesluis te bouwen in Zeebrugge. De voorkeurslocatie is de oude Visartsluis (1907). Die moet omgevormd worden tot een sluis van 427m lang en 55m breed. Met een diepgang van 18,5m zal de nieuwe sluis groot genoeg zijn om de volgende generatie autoschepen. De investering in de nieuwe sluis bedraagt 1 miljard euro.

Copyright: Streeknieuws.be

Maar de aankondiging van de minister was nog niet koud of de lokale actievereniging kondigde al aan naar de Raad van State te stappen tegen de plannen. Uit één en het zelfde bericht mogen we dus afleiden: ‘De start voor de werken aan die nieuwe sluis is niet voor morgen en ook niet voor over 10 jaar’.

 

 

Nochtans is de Zeesluis één van de complexe projecten die de Vlaamse overheid definieerde. Ze zou ook omgevingsmanagement toepassen om draagvlak te creëren in Zeebrugge.

Afgaande op de berichtgeving lijkt het erop dat het studiebureau dat het proces onderzoekt en begeleidt toch ergens het omgevingsmanagement verkeerd toepaste.

 

Een korte historiek

 

  • Medio december 2018 maakt de Vlaamse overheid haar voorkeursbesluit om de sluis te bouwen bekend
  • Er werd een periode tot inspraak opgestart
  • Op 10 mei neemt de overheid al haar principiële beslissing

 

Snel geteld was er dus een inspraakperiode van 4 à 5 maanden. Dat is wel heel kort. En afgaande op de 750 bezwaarschriften tegen het project was er van inspraak blijkbaar niet zoveel sprake. In een reactie op die bezwaren werkte de overheid flankerende maatregelen uit. Er komen bijvoorbeeld extra garanties tegen het risico op schade aan de omliggende woningen tijdens de werken. Verder komt er nog een participatieproces samen met het stadsbestuur en havenbedrijf, gericht op de leefbaarheid van de omgeving. Kortom, de overheid wil nog zoeken hoe bijvoorbeeld geluidsoverlast en uitstoot tijdens de werkzaamheden gemilderd kan worden.

 

Maar had omgevingsmanagement van bij de eerste onderzoeken niet meer kunnen opleveren? Was het vanuit de bezwaren en belangen van de stakeholders niet haalbaar geweest om vanuit een breder perspectief naar de verschillende opties te kijken? En daarbij vragen te stellen: wat maakt welke optie het best verteerbaar voor alle stakeholders?
Nu mag er dan wel participatie komen om de hinder te beheersen, maar wat heeft dat voor zin nu een van de stakeholders naar de Raad van State trekt tegen het project?

Minder hinder begint bij het ontwerp

Opdrachtgevers hechten almaar meer belang aan hinder, of het gebrek daaraan tijdens werkzaamheden. De bouwprojecten met de minste hinder zijn die waar de architecten of ingenieurs in hun ontwerp al rekening hielden met het vermijden van hinder. Dat is een attitude waar het in België vaak nog aan ontbreekt.

 

Minder hinder staat recht evenredig ten opzichte van draagvlak. Hoeveel te minder hinder, des te groter het draagvlak voor een project. Zowel voor private als publieke initiatiefnemers is dat draagvlak belangrijk, want het vergroot de kans op een vlot vergunningstraject. En voor publieke initiatiefnemers heeft het in verkiezingsjaren een dubbele betekenis. Kortom, ‘minder hinder’ is zoveel meer dan werken uitvoeren met minimale overlast voor de betrokkenen (buurtbewoners, weggebruikers, stakeholders). Op het einde van de rit betekent het ook besparing, hoger rendement, een gunstigere publieke opinie, …

 

Bezint …

Maar minder hinder is in België nog een relatief nieuw begrip. Veel publieke opdrachtgevers zijn zich er van bewust dat ze de aannemer om minder hinder maatregelen moeten vragen, … maar op dat moment is het kalf al half verdronken. In de praktijk komt het dan veelal niet verder dan op een oubollige manier informeren over wat onvermijdelijk is.

 

bron: Van Huele

Zowat iedere lijn die de ontwerper op papier zet, heeft straks in de uitvoering invloed op de mate van hinder of de hinderbeleving. Een raadsel: Welke opstelling veroorzaakt de minste hinder: een inspectieput van de riolering in het midden van de rijbaan of een in de berm? Aquafin begrijpt dat heel goed en challenget de studiebureaus die rioleringsprojecten ontwerpen om hinder beperkend te ontwerpen. Jaarlijks beloont de waterzuiveringsmaatschappij ook de studiebureaus die hierin grensverleggend zijn.

Maar dezelfde redenering gaat ook op voor gebouwen. Een architect die ernaar streeft een oud pand volledig of deels te bewaren ontwerpt zo al hinder beperkend. Er zal immers minder afvoer van sloopmateriaal zijn en er is minder afvoer van grond voor het uitgraven van een nieuwe kelder. Die redenering kan over het volledige gebouwontwerp doorgetrokken worden. En wanneer opdrachtgever en architect die maatregelen dan voor de vergunningsaanvraag duidelijk communiceren met de omgeving, dan verkleint haar weerstand tegenover het project. (Los daarvan is er dan ook nog wat inspanning nodig om het Not In My Backyard-fenomeen te counteren)

 

… eer ge begint

 

Bron: Antwerpse Bouwwerken

 

Na het ontwerp is het aan de aannemers en hun onderaannemers om met gezond verstand naar het ontwerp te kijken en hinder beperkende uitvoeringsmethodieken te bepalen. Dat kan zijn kort maar krachtig gaan in de hinder of zoeken naar slimme methodieken die een minimale hinderbeleving met zich mee brengen. Ze bestaan al hoor, aangepaste sloopmethodes, funderingstechnieken, bouwwijzes, … Ze zijn spijtig genoeg duurder en lonen vandaag niet. Tenzij de opdrachtgever een lans breekt voor minder hinder. Het staat alvast in de sterren geschreven dat publieke opdrachtgevers meer naar minder hinder zullen vragen. De nieuwe Wet op Overheidsaanbestedingen laat de nodige ruimte om een project hier mee op toe te wijzen.

 

De winnaar is…

Dat gezegd zijnde, mag duidelijk zijn dat de meest succesvolle minder hinderaanpak ligt in het bouwteam. Private opdrachtgever of openbaar bestuur: Daag ontwerpers en aannemers van in het begin van het traject uit om samen te zoeken naar de aanpak met de minste hinder. Die is misschien wat duurder, maar dat prijsverschil betaalt zich indirect terug door de besparingen uit het vermijden van beroepsprocedures, het hogere rendement uit de snellere verkoop of ingebruikname van het project of de herverkiezing omdat de burger zag dat het goed was.

Belgische aannemers voorspellen bouwtrends van morgen

Niet alleen projectontwikkelaars zien trends voor het nieuwe jaar. Ook de aannemers die de nieuwe (woon)projecten bouwen zien hoe hun sector in snel tempo verandert. Enkele Klasse 8-aannemers deelden hun kijk op de evolutie in de sector met me.

 

“De sector vertoont weer groei, maar krijgt ook grijze haren”

“De bouwsector heeft het afgelopen jaar een gezonde groei doorgemaakt,” evalueert Chris Slaets 2017. De directeur van de Confederatie Bouw Limburg stelt vast dat de woningbouw (projectenmarkt als individuele woningbouw/renovatie) dé motor is achter het herstel en verwachte verdere groei. “Bouwbedrijven zijn druk bezig om hun financiële en operationele basis op orde te brengen en krijgen daarbij ook weer ruimte om te investeren. Dit is ook van belang aangezien hun klanten vragen om duurzame en innovatieve oplossingen. Er blijft continue aandacht om faalkosten te reduceren zodat projectmarges gezond blijven. Jongeren aanwerven en ouderen houden gaan hand in hand, maar we kunnen er niet om heen dat er hoogdringend iets moet gebeuren om de instroom van jongeren weer op te krikken.”

 

“Vaarwel aannemer”

Voor Marc Vanhees – commercieel directeur bij Democo – is de naam of het begrip aannemer achterhaald. “We nemen niet langer projecten aan die al tot in de details zijn uitgewerkt door de architect en studiebureaus en waarbij onze rol beperkt is tot het louter uitvoeren. Tegenwoordig moeten we als aannemer alle facetten in de levenscyclus van een gebouw beheersen. En dat zal wellicht in de komende jaren alleen nog maar verder evolueren. Kortom, we overstijgen onze klassieke rol als aannemer: iemand die werk aanneemt. We denken vandaag meer en meer mee.”

 

“Zoeken naar geïndustrialiseerde oplossingen”

Bert Lenaerts, directeur – bestuurder bij Vanhout ziet vooral een trend naar meer geïndustrialiseerd werken in de bouwsector. “Vandaag werken we in de bouwsector toch nog redelijk traditioneel waarbij het merendeel van de activiteiten op de werf plaatsvindt. We stellen vast dat er echter grote faalkosten in het proces zitten (tot 10% van de bouwkost). We kunnen dit enkel tegengaan door andere bouwmethodes toe te passen: meer geïndustrialiseerd, modulair werken. Daarbij kunnen geïndustrialiseerde oplossingen in een gecontroleerde productie-omgeving plaats vinden. Zo moeten de modulaire elementen op de werf alleen nog maar geassembleerd worden volgens het plug & play-principe.”

 

“Virtueel bouwen”

Bouwbedrijf Dethier omarmt de digitale revolutie. De aannemer uit Alken gaat mee in de BIM-informatierevolutie. “Met behulp van de BIM filosofie streven we naar nauwere samenwerkingen met alle bouwpartners in de keten, lagere faalkosten en projecten nog sneller opleveren,” stelt Vicky Dethier. BIM is volgens Vicky meer dan 3D tekenen. “Het vergt een doorgedreven aanpassing van heel je organisatie, ook andere bouwpartners kunnen niet achterblijven.” In het verlengde van het 3D-tekenen ligt virtual reality. “Eens het project digitaal gebouwd is, zijn de mogelijkheden oneindig. Het model wordt een hulpmiddel voor klant, architect, aannemer, … Klanten kunnen met behulp van een VR bril doorheen hun gebouw lopen en zo veel beter inschatten hoe alles er zal uitzien. Projectleiders kunnen veel beter zien hoe iets gemaakt moet worden en wat er nog moet gebeuren of al gedaan is.”

 

“Flexibele gebouwen”

De behoeften van opdrachtgevers en eindgebruikers veranderen snel. “Dat maakt dat gebouwen flexibel aanpasbaar moeten zijn. Tijdens de ruwbouwfase vertaalt zich dat in grotere overspanningen (minder balken en kolommen), prefabricatie, lichte wanden etc. Wooneenheden worden kleiner en opgedeeld, kantoren worden appartementen, kantooreenheden moeten flexibel werken mogelijk maken, “open” scholen, ziekenhuizen en labo’s zijn flexibeler dan ooit. Deze trend naar multifunctioneel gebruik en nood aan flexibiliteit zal zich meer dan ooit verder aftekenen in de toekomstige bouwprojecten,” voorspelt Anne Froidmont, commercieel directeur bij Houben nv.

 

“PPS en DBFM zijn blijvers”

Ook bij Stadsbader zien ze een trend naar geïndustrialiseerde oplossingen, prefab beton meer bepaald. “Er wordt meer en meer gewerkt met geprefabriceerde elementen en vooral prefabbeton. Dit onder meer omwille van de brandweerstand en de thermische inertie,” stelt Ben Bomhals, Business Development manager bij Stadsbader. Daarnaast ziet hij de definitieve doorbraak van PPS- en DBFM-formules. “Die komen nu stilaan maar zeker in de plaats van de traditionele aanbestedingen.”

Dit zijn de woontrends voor 2018

Nieuw vastgoed kopen in 2018? De kans is groot dat de woning of het appartement kleiner zal zijn dan u gewend bent en dat het pand niet meer met fossiele brandstoffen verwarmd zal worden. Enkele projectontwikkelaars geven hun visie op de trends voor 2018

1.“Dienstverlening op maat”
De migratie van 65-plussers van het platteland naar de stad stimuleert daar de vraag naar nieuw woonaanbod. “Ook met bijhorende, kwalitatieve dienstverlening. Naast zorgverlening betekent dit bijvoorbeeld ook een klusjesdienst, strijkservice of boodschappenservice. De gebouwen worden uitgerust met de nodige faciliteiten om eenvoudig de aangeboden diensten te bestellen en om bestelde producten te ontvangen zonder zelf aanwezig te moeten zijn. Zo kan de bewoner op een eigentijdse manier genieten van het leven in stad of dorpskern,” licht Pieter Vanhout, algemeen directeur van DMI Vastgoed toe.

2.“Weg met de verwarmingsketel”
“De klassieke verwarmingsketel verdwijnt hoe langer hoe meer uit onze woning,” zegt Erik Van Hoof, CEO van de Leuvense stadsontwikkelaar Resiterra. “In nieuwe bouwprojecten maakt een geothermisch netwerk zijn opwachting. Denk maar aan een koudenet waarbij lauw grondwater wordt opgepompt om de woningen te verwarmen in de winter én de huiskamers af te koelen in de zomer. Het ecologisch voordeel is telkens gigantisch, want van fossiele brandstoffen of CO2-uitstoot is er dan geen sprake meer”, aldus Van Hoof.
In het rijtje met duurzame innovaties horen ook centrale stookplaatsen in woongebouwen of decentrale elektrische warmwaterproductie.

3.“Van 75 naar 65 vierkante meter”
In 2015 kocht je in ons land een nieuwbouwappartement van gemiddeld 85 vierkante meter groot. Inmiddels zijn ze al ruim 10 procent kleiner geworden, grosso modo 75 vierkante meter. “De tendens naar compactere flats gaat dit jaar nog verder”, meent Philippe Janssens, CEO van de Antwerpse projectontwikkelaar Immpact. “In Nederland en Frankrijk is een nieuw appartement nog maar 65 vierkante meter groot. Ook in Vlaanderen gaat het die richting uit. Toch betekent dit niet dat we over minder woonruimte zullen beschikken. De Vlamingen benutten hun beschikbare ruimte almaar efficiënter. Denk maar aan een douche in plaats van een bad, opbergruimtes in de trap en ingemaakte kasten.”

4.Wonen aan het water blijft populair
Wonen aan het water blijft ook in 2018 populair. Dat verwacht Michel Verhoeven van de Hasseltse projectontwikkelaar Kolmont. “Op verschillende plaatsen in Vlaanderen worden verloederde industriezones aan het water, zoals de Oude Dokken in Gent of de Blauwe Boulevard in Hasselt, aangepakt. In de plaats van grauwe opslagplaatsen verrijzen daar nieuwe, moderne appartementen. Net als op de boerenbuiten zijn dat vaak verkeersluwe zones waar je in alle rust kunt fietsen en wandelen. Maar één van de grote verschillen is dat je quasi onmiddellijk goed verbonden bent met de stad, en met ring- en gewestwegen.”

5.“Vlamingen ‘ontdekken’ Brussel”
Tussen 2012 en 2016 groeide het aantal Vlamingen dat naar Brussel verhuisde van 12.437 naar 13.408 – oftewel een toename van 8 procent. “En dat aantal zal nog toenemen. De tijd dat Brussel beschouwd werd als een “lelijke, vuile” hoofdstad is voorbij”, stelt Stefaan Coucke van Dewaele Vastgoedgroep. “Als je bv. kijkt naar de Brusselse kanaalzone zie je de buurt elke dag veranderen. Tour & Taxis is zo één van die grote ontwikkelingen die als een magneet werkt op Vlamingen die in Brussel werken en daar ook – betaalbaar – willen wonen.”

Winkelwonen: langer vrijstelling op onroerende voorheffing

Wie een leegstaande winkel omvormt tot woning of op de verdieping boven een bestaande winkel gaat wonen, krijgt vandaag al 3 jaar vrijstelling op de onroerende voorheffing. Vanaf 1 januari 2019 verlengt die periode tot 5 jaar. Ook de strenge voorwaarden vervallen.

 

De overheid maakt een onderscheid tussen wonen boven winkels of een winkel omvormen tot een woning. In een zone waar weinig winkels zijn wil de Vlaamse regering mensen stimuleren om leegstaande winkels om te vormen tot woningen. In een zone waar veel winkels zijn is het de bedoeling dat mensen boven winkels gaan wonen.

 

In de oude regeling (3 jaar vrijstelling) kwamen gebouwen waarvan minstens 50% van de oppervlakte winkel was, het gelijkvloerse niveau als winkelruimte gebruikt wordt of het gebouw uit meer dan drie bouwlagen betond niet in aanmerking voor de korting. Vanaf 2019 is dat wel het geval.

Omgevingsmanagement bij bouwprojecten of wegenwerken: zinloos of zinvol?

Omgevingsmanagement, al ooit van gehoord? Waarschijnlijk niet. Ook de Dikke Van Dale kent het woord niet, maar bij onze noorderburen is het begrip het vertrekpunt voor ieder infrastructuur- of bouwproject, hoe groot of klein ook. In ons land proberen grote opdrachtgevers, zoals de Lijn, voorzichtig uit welke voordelen omgevingsmanagement kan bieden. Heeft omgevingsmanagement toekomst of is het utopie?

 

Laat ons beginnen bij het begin: wat is omgevingsmanagement? Dat is meteen al een moeilijke vraag, want een eenduidige definitie van omgevingsmanagement bestaat niet. Zelfs niet bij onze noorderburen die al enkele jaren ervaring hebben met het gebruik. Rijkswaterstaat – de beheerder van de openbare infrastructuur in Nederland – omschrijft het als volgt: “Het geheel van activiteiten gericht op verkennen en betrekken van alle omgevingspartijen, met als doel de eigen en de gezamenlijke doelen te onderkennen en te realiseren en de regie te houden op het uitvoeren van het eigen stakeholdermanagement.” Een vrij complexe uitleg om te vertellen dat je als opdrachtgever streeft naar contact met de omgeving en daarbij probeert draagvlak en begrip te creëren voor het project datje wilt realiseren. Hoeveel te groter dit draagvlak, des te kleiner de weerstand tegen het project zal zijn. Dat vertaalt zich dan weer in een vlotter projectverloop en een grotere kans op het succesvol invullen van de projectdoelstellingen.

 

Protest ontmijnen

OmgevingEven concreet: Stel je hebt als projectontwikkelaar de ambitie een binnenstedelijke kernversterking te realiseren. Wanneer je het bouwtraject op eigen houtje ontwerpt en de vergunningen aanvraagt, is de kans heel reëel dat er bezwaren komen vanuit de buurt, of erger nog dat een van de buren naar de Raad van State trekt tegen de afgeleverde bouwvergunning. Wanneer hij gelijk krijgt, sta je met lege handen en een lichtere portefeuille. Dit is geen unicum, de voorbeelden zijn legio: De geplande Noordzuid-verbinding in Limburg is een van de meest schrijnende.

Wanneer je echter in de voorbereiding van het project al met de buurt en andere stakeholders in overleg gaat en zo voeling krijgt met hun angsten of grieven, kun je daar als initiatiefnemer – in de mate van het economisch mogelijke – rekening mee houden. Stel één van de aanpalende bewoners vreest voor inkijk in zijn badkamer. Dan kun je nagaan of daar ontwerpmatig een mouw aan te passen valt. Of de petanqueclub – met de oud-gemeentesecretaris als lid – moet wijken voor het bouwproject. Dan kun je nagaan of een nieuwe petanquebaan voorzien kan worden in de omgevingsaanleg of eventueel in de kelder van het project. Wie weet is de club wel bereid daar een maandelijks huurbedrag voor te betalen. Maar die gevoeligheden breng je pas aan het licht door (vroegtijdig) het gesprek aan te gaan met de omgeving en eventuele andere stakeholders.

 

Onzin of niet?

Bij een bouwproject is dat omgevingsmanagement nog relatief eenvoudig en overzichtelijk. Veel complexer wordt het bij de aanleg van een nieuwe weg of tramtraject. Ik schrijf heel bewust tramtraject omdat dit een actueel gegeven is. De Lijn – de opdrachtgever voor deze projecten – vraagt in de aanbestedingsprocedure al een onderbouwde visie op het omgevingsmanagement. Dat was zo voor de aanleg van de Noorderlijn in Antwerpen en is ook zo in de voorlopig geschorste procedure voor sneltramlijn 1 tussen Hasselt en Maastricht in het Spartacusproject. Het zal niet verwonderen dat het enige consortium met een degelijke adviseur voor het omgevingsmanagement de aanbesteding voor de realisatie van de Noorderlijn heeft gewonnen.

De Lijn, PMV, … zijn op heel wat vlakken pioniers in de aanbestedingsformules die onze overheden hanteren. Het is dus maar een kwestie van tijd voordat ook de andere overheden het begrip zullen implementeren. Zeker als ze via burgerparticipatie en draagvlak de kans op protest en klachten kunnen verkleinen.

 

Kun je de omgeving managen?

Belangrijk is ook om met de juiste insteek aan omgevingsmanagement te beginnen. Omgevingsmanagement heeft niet tot doel om de stakeholders te sturen of te leiden in de richting die het best is voor jouw project. Want zo zou je volgens Van Dale ‘managen’ kunnen interpreteren. Een omgeving is immers niet te managen (lees: beïnvloeden). Ze bepaalt uiteindelijk zelf hoe ze denkt of reageert ten opzichte van een project. Het doel van omgevingsmanagement is het betrekken van de omgeving om inzicht te krijgen in wat er leeft. Via participatie en communicatie ontstaat een interactie die meerwaarde kan brengen voor het project, net omdat het rekening houdt met de belangen van de verschillende stakeholders. Kijk naar de petanquebaan in het voorbeeld. Wanneer het project eenmaal in uitvoering is, kan wel het omgevingsmanagement worden bijgestuurd door in te zetten op communicatie over het project. Uit het overleg tijdens het voortraject weet de omgevingsmanager nu ook via welke kanalen die communicatie in deze fase het meest optimaal verloopt.

 

Dirigent

Wie is dan verantwoordelijk voor het in de praktijk brengen van omgevingsmanagement? Ook daar is er (nog) geen eenduidig antwoord. In Nederland wordt de rol aan verschillende partijen toebedeeld: aan de procesmanager of communicatiemanager en meer en meer wordt ook al een omgevingsmanager specifiek voor een project aangesteld. Geen van deze functies is in België echt ingeburgerd. Her en der zijn er wel al studie- en adviesbureaus die deelaspecten van omgevingsmanagement beheersen en aanbieden, denk dan aan verkeersmanagement of projectcommunicatie. Maar van daaruit is nog een weg af te leggen naar écht omgevingsmanagement.

Aanbesteden begint bij een sterke strategie

Aanbesteden was in België jarenlang een verhaal van de laagste prijs aanbieden. Met de wijziging van de wet op overheidsopdrachten is er ruimte om naast de prijs ook andere factoren in aanmerking te nemen voor de gunning. De aanbestedende overheid kan de geïnteresseerde aannemers nu bijvoorbeeld ook vragen naar een visie op de kwaliteit, planning, projectmanagement of minder hinder. De quotering van deze visie weegt mee in de keuze van de aannemer die de opdracht binnenhaalt. Het uitschrijven van zo’n visie is heel wat anders dan het bedenken van een prijsgunstige werkmethodiek en daar dan een prijs op kleven. Alles begint bij een sterke strategie en die dan goed verwoorden.

Stadsplein Genk in opbouw

Een offerte aanbieden voor een bouw- of infrastructuurproject was tot voor kort een exclusieve zaak van de calculatie-afdeling binnen de aannemersbedrijven. Calculatoren met jarenlange ervaring wisten op hun gevoel al welke materialen en technieken ze moesten kiezen om een winnende offerte te schrijven.

 

Kwaliteiten beschrijven

Maar het aanbesteden is de iets complexer geworden dan het louter becijferen van de laagste prijs. Bepaalde opdrachtgevers vragen nu ook naar een visie over de aanpak van een project op het vlak van projectmanagement, timing, kwaliteit, hinderbeperking. Ook informeren ze naar de kwaliteiten van de aannemer of vragen zelfs een volledig ontwerp voor het beoogde project. Dat is bijvoorbeeld het geval bij PPS-projecten of allerhande vormen van DBFM-opdrachten. Dan komt het er als aannemer of als consortium op neer een sterk verhaal aan het papier toe te vertrouwen. Op zich is dat geen probleem: ingenieurs kennen hun bedrijf en weten hoe ze het project willen aanvliegen. Dat krijgen ze dus ook wel opgeschreven.

De vraag doorgronden

Tot daar de theorie. In de praktijk blijkt dat de calculatoren en ingenieurs bij het uitwerken van hun Plan van Aanpak niet verder komen dan een strikt antwoord formuleren op de vraag van de opdrachtgever. Op zich niets mis mee. En iedere week wint een aannemer op deze manier wel een opdracht, omdat hij het allemaal net iets beter beschreef dan zijn collega’s.

Maar aan het begin van het traject laten de meeste aannemers in ons land de kans liggen om een voorsprong te nemen op de concurrentie. Ze nemen niet de tijd om de vraag van de opdrachtgever even te ontleden en te bepalen met welke oplossingen ze de concrete vraag kunnen invullen. Kortom, ze vergeten een strategie te bepalen. Met zo’n ‘plan van aanpak’ dat op een kick off-meeting wordt vastgelegd, weet je als auteur welke richting jouw firma uit wil. Je kunt de maatregelen daardoor veel slimmer beschrijven en beter inspelen op de verwachtingen van de opdrachtgever.

Op winst door strategie

Klaverblad Lummen

Het idee van die strategie grijp ik niet zomaar uit de lucht. Als bouwjournalist heb ik al mogen (mee)schrijven aan talloze Plannen van Aanpak. De rode draad in al die plannen is dat die projecten waar met een doordachte strategie begonnen wordt aan het uitwerken van het Plan van Aanpak, een hogere kwaliteitsscore optekenen.

Onlangs volgde ik in Nederland een cursus EMVI-schrijven (Economisch Meest Voordelige Inschrijving). Deze aanbestedingsvorm is in Nederland populair: de aannemer wordt er naast prijs ook op kwaliteit beoordeeld. De lesgevers besteedden een halve dag van de tweedaagse opleiding aan de strategie. Om maar aan te geven hoe hoog zij het belang van een strategie inschatten.

De Nederlandse praktijk bewijst ook dat die strategie de sleutel tot succes is. Uit een studie van Rijkswaterstaat blijkt dat de inschrijvers die het project vooraf doorgrond hebben en met een doordachte visie inschrijven, niet alleen beter scoren op hun Plan van Aanpak, maar doorgaans ook de laagste prijs aanbieden.

Kortom, bezint eer ge begint!